woensdag 25 april 2007

Langs de Rio Duero

Siete Iglesias heeft een Albergue, in het gemeentehuis. Maar het is een feestdag, het gemeentehuis is dicht. Ik moet naar de Alguacil (woordenboekje: gerechtsdienaar). Een man die zijn fiets vasthoudt en moeite heeft om tegelijk én te antwoorden én zijn fiets vast te houden - dat is de fiësta - geeft me het adres. Daar in de buurt vind ik een man die engels praat, een tweede die de vader van de Alguacil is en een derde die zijn mobiel pakt en voor me gaat bellen.
De Alquacil is er na vijf minuten, hij maakt het gemeentehuis voor me open. In het gedeelte wat albergue is, staan twee stapelbedden, met blauw-gele gymnastiekmatten als matras. Eén bed ligt vol met toneelkleren (het Passiespel?), er staat een doos schmink. Er is een warme douche, een tafeltje en een stoel.
Als ik nog weg wil om te eten en weer naar binnen wil, moet ik de Alquacil weer bellen, dan maakt hij de deur weer voor me open.
Ik ga inderdaad eten in het wegrestaurant, boven bij de doorgaande weg naar Portugal. Veel trucks.
Net als ik klaar ben, kom er een nederlandse chauffeur naast me zitten.
In Lissabon waren er geen files, in Nederland is het te vol, die lui in Den Haag bedonderen ons.
Ik heb mijn toetje al op, gelukkig.
Het gemeentehuis is uit 1879. ´s Nachts kraakt er van alles, ik herinner me spookverhalen, maar slaap goed.
De volgende twee dagen loop ik parallel aan de rivier de Duero. Eerst op afstand. De route kruist watertjes die naar de rivier lopen en die diep in het landschap weggestopt zijn, zodat er onverwacht korte steile afdalingen en steigingen zijn. Het maakt het lopen wel prettig.
Bij Villafranca del Duero kom ik bij de rivier en eet wat op een picknickplek aan het water. Het is een vakantierivier: breed, laaghangende takken vanaf de oever, platte rotsen waar het water omheenspoelt.
De route volgt een vlakke zandweg in de buurt van de rivier. Het is erg rustig. Er staan populieren die wat ritselen, er loopt water door de irrigatiekanalen. Het is warm.
Ik kom aan in Toro en zou daar volgens het boekje in een klooster kunnen overnachten. Geen klooster of kerk weet er van en na veel te lang rondlopen kom ik in een hostal terecht. Dat was gisteren.
Vandaag, woensdag 25 april
Ik sta om 6 uur op, om zeven uur op pad, de mevrouw van het hostal moet er voor uit bed.
Om vijf over zeven begint het te regenen en het houdt niet meer op. Weer vlakke weg langs de rivier. Grijze lucht, onophoudelijk regen. Poncho aan, gelukkig waait het niet. Is Nederland ook zo groen?
Om vier uur kom ik aan in Zamora. Daarmee heb ik kontakt gemaakt met de Via de la Plata die ik 2 jaar geleden gelopen heb. Vanaf nu loop ik, na ruim 750 km, de laatste 400 km op bekend terrein.

zondag 22 april 2007

Familie

Overnachting in een hostal in Arévalo, ´s ochtends de deur uit en na een halve kilometer weer terug, want ik had mijn routegids tussen de dekens laten liggen. Gelukkig was er al iemand op de de deur kon opendoen.
Vlakte met groene korenvelden. Het lijkt alsof vanaf vandaag beregenen is toegestaan. Overal wordt gesproeid. Bij de put staat een generator, er worden buizen en slangen gekoppeld, ergens in de verte - het gaat om grote afstanden - spuit het water. Uit de dorpen lopen oude mannen met wandelstok een stukje het veld in om te zien of het goed gaat.
Vicente de Palacio ligt te stoven in de middaghitte.
Een deurgordijn beweegt, ik word aangeroepen door twee vrouwen, meteen is er de buurvrouw bij. Zij dragen schorten waar nog de resten van het een en ander op vast is blijven plakken. Achter de vrouwen verschijnt een wat te dikke jongen met oranje bril en de tatouage van een draak onder zijn linkeroor.
Of ik nog wat wil eten, want ze hebben wat over, vraagt de een. Nou nee.
Maar toch wel een appel, vraagt de buurvrouw. Dat wel.
Intussen wordt er gevraagd waar ik vandaan kom en of ik de Camino loop. Ze zijn uitstekend op de hoogte. De route naar Medina wordt uitgelegd. Het is nog twaalf kilometer. Als ik zeg dat dat drie uur lopen is, nu het zo warm is, is dat te veel. Voor mijn gemoedsrust wordt de afstand op 9 kilometer vastgesteld.
We nemen hartelijk afscheid van elkaar.
Een eindje verder, in de schaduw van de kerk, ooievaarsnest er boven op, pauzeer ik en eet de appel op.
Het is verder kaal en heet.
Het pad buigt naar de 4-baans autoweg en gaat nu zo´n 8 tot 9 kilometer naast die autoweg verder naar Medina del Campo. Auto´s toeteren af en toe. Er passeren een aantal kermiswagens.
Een eindje verder een huis. Opschrift over de hele voorgevel: "(bijna) iedereen welkom, behalve familie".
Ik maak foto´s, loop door, hoor even later roepen. Een jongen en een meisje hollen op me toe: of ik koud water wil. Jawel.
Ik ga met ze mee terug naar het huis. Ze wonen in een klein wit huisje ernaast. Het aanrecht is buiten tegen de muur gebouwd en staat vol afwas. Vader is met een hak op het land aan het werken en komt me een hand geven. Hij kent Nederland, "heel groen", heeft vrachtgereden op Rotterdam.
Ik krijg een glas koud water.
Er liggen een paar honden aan de ketting die blijven blaffen.
Aan mijn vraag hoe het zit met die familie wordt wat lacherig voorbijgegaan.
Ik krijg nog anderhalve liter koud water mee, water uit eigen put.
´s Avonds drink ik bier met Friedel op een terras op de Plaza. We gaan afscheid nemen. Ik neem een rustdag. Hij doet daar niet aan.
Dit is zijn vijfde Camino-tocht.
De eerste keer is hij vanuit Nürnberg in drie maanden tijd naar Santiago gelopen. Daarna in drie maanden terug. Elke dag heeft hij een ansichtkaart naar huis gestuurd en elke kaart is aangekomen.

Isabel

Avila ligt op een bult in een vlakte, dus donderdag 19 april ga ik eerst omlaag, de stad uit, onder de stadsmuren door, en daarna weer omhoog. Door de rafelranden van de stad: stukje bebouwd, stukje volkstuin, nieuw gaas, verroest gaas, puin en vervallen muurtjes.
Twee dorpen verder, en een doortocht tussen minstens honderd zwarte koeien, ben ik over de heuvelrand en zie dat de bergen voorlopig voorbij zijn. Voor me ligt een uitgestrekte vlakte, weer grootschalig landbouwgebied. De weg, een breed zandpad, daalt langzaam en vóór me kan ik alle dorpen zien waar ik deze dag nog doorheen ga.
De lucht is blauw, het koren groen, het is lekker warm, in marstempo naar beneden.
De infrastructuur is hier, in Castilia y Leon, anders.
In La Mancha lagen de dorpen, redeljk groot en booming, zo´n 20 tot 30 kilometer uit elkaar en niks daartussen.
Hier is de afstand rond de vijf tot tien kilometer, mooi op loopafstand, en het zijn kleine dorpjes, een handvol huizen rond de kerk en kroeg. Er is niet veel te doen. Niks urbanizaciones, er wordt af en toe een huis bijgezet.
Er staan nog volop oude, lage, witte huizen, vaak vervallen, soms verlaten, soms nog bewoond en her en der hersteld. Een voordeur en kozijnen van aluminium. Golfplaten onder de pannen. Er staat veel te koop. Wie geld heeft, bouwt een nieuw huis: twee verdiepingen, tralies en rolluiken, grint in de tuin, een groot hek en daarvóór een trottoir.
De weg gaat van dorp naar dorp.
Het ene dorp is een onoverzichteljke klontering van huizen rond het plaza en de kerk.
Het andere is een western-dorp: een lange, brede straat met links en rechts de lage gevels van de huizen, de bar, een klein winkeltje. Ik voel me altijd even Gary Cooper als ik begin van de middag, harde schaduwen, over een stoffige weg zo´n slaperig dorpje binnenloop en de eerste hond begint te blaffen.
Er staan borden dat in 1504 de begrafenisstoet van Isabel la Católica hier langs getrokken is. Ze wordt grondlegger en moeder van Spanje genoemd, had verblijf en kasteel in Medina del Campo waar ik naar toe ga. Daar is ze gestorven en over deze weg naar Granada gebracht waar ze begraven ligt. Dat moet een wekenlange tocht geweest zjn, in 1504 , wat moet ik me daar bij voorstellen.
We overnachten in de gemeenschapszaal, achter het gemeentehuis.
Het is een grote zaal, met podium, en een nagalm als in een kerk.
We moeten er een tijdje uit als er aerobics is.
We gebruiken de matjes als extra matras. Friedel slaapt in een verwarmd kamertje. Daar moet ik niks van hebben. Ik slaap lekker fris in de zaal, met twaalf rode led-lampjes aan de muur.

woensdag 18 april 2007

In Avila

Mijn leesbril in het hostal laten liggen. Ik kan dus niet in mijn aantekeningen kijken, het moet uit het blote hoofd.
Het landschap is totaal veranderd. Gisteren en vandaag over rotsige bergpaadjes geklauterd, vandaag over een pas van 1316 m. De autoweg loopt er gewoon naar toe, met een paar haarspeldbochten, maar het voetpad volgde een beekje, tussen en over rotsen. Struiken en hei. Volkomen stil, behalve het water dan, koeienbellen en de koekoek die in elk dal wel te horen is. Prachtige vergezichten, kleine akkers, terrasbouw. Stenen muurtjes. Her en der staat eem renault-4 of een opvolger en is een boer bezig zijn landje met een hak te bewerken. Stille dorpjes, waar een deur dichtslaat en een paar oude mensen langs de fontein schuifelen. In de supermarkt zit de mevrouw van de kassa bij de deur de krant te lezen.
De ochtenden zijn het mooist. Blauwe hemel (ook dat is veranderd), dauw.
Gisteren op het einde van de dag met buitengewoon slecht weer aangekomen in San Bartolomé de Pinares, na een schitterende tocht over een bijna kale hoogvlakte waar de Camino een oud veedrijverspad, een Cañada, volgde. Lucht betrekt, regen en wind in recordtempo op orkaansterkte, donderslagen, 10 minuten, dan geleidelijk minder.
Eenmaal aangekomen lopen er mannen de bar uit om me binnen te halen en gaan zelf aan de slag om de man met de sleutels te bellen.
Het werd de wachtkamer van het lokaal medisch centrum. Witte vloeren en muren, kuipstoeltjes langs de muur, rode apparaten om nummertjes te trekken voor de arts en voor de zuster. En maar 1 matras (een gymnastiekmat). Ik loop nog steeds alleen, maar spreek ´s avonds af met de duitse man, Friedel, die ik in Toledo ontmoet heb.
Tja, dat ene matras, dat kreeg hij, ik heb een zelf een matje van huis meegenomen en hij is ouder (66).
Was wel een beetje hard, maar ik heb toch redelijk geslapen en gedroomd.
Vanochtend om acht uur de deur uit, er stonden al twee mensen op de stoep voor de dokter die we nog moesten tegenhouden.
Nu dus in Avila, waar ik twee jaar geleden met Frans geweest ben en eigenlijk het idee van deze tocht ontstaan is. Ik zag een vvv-folder met foto´s van de Toros de Guisando, dat zijn vier granieten beelden van stieren die uit de 2de eeuw voor Christus stammen en die hier in de buurt staan. Er zou een Camino a Santiago langslopen. Ik ben gaan zoeken en zodoende, twee jaar later....
De stieren staan er inderdaad, op een soort parkeerplek. Gisterochtend zag ik ze, een beetje afgeleid door een jongen en een meisje die net deze plek uitgekozen hadden voor ochtendlijk minnekozen.
Nu ik behalve mijn Pentax voor de langzame fotografie ook een digitale Kodak bij me heb, maak ik ongegeneerd toeristisch kiekjes. Inderdaad, ik bij de Toros de Guisando. En ik bij Cervantes, bij Don Quijote, bij Dulcinea, enz.

zondag 15 april 2007

Geel spul

Oef, blijkt het dorp toch een internetcafé te hebben, maar nu heb ik maar een half uur de tijd. Want ik ga eten met Friedel, dat is de duitse wandelaar die ik in Toledo ontmoet heb en die ook de Camino de Levante blijkt te lopen. Hij heeft het iets sneller gedaan dan ik. Hij heeft dan ook een GPS bij zich, heeft thuis de hele route opgeslagen en ook nog alles met behulp van maps.google uitgeprint.
Bij mij is het af en toe tobben. De bewegwijzering is vaak allerbelabberts. Men slaagt er in om bij een driesprong een pijl zo te zetten dat hij drie kanten opwijst en van herhalingspijlen hebben ze hier nog niet gehoord. Ik loop dus heel veel op kompas, dat gaat goed, omdat op de kaartjes de route redelijk aangegeven staat.
Vannacht geslapen in een sporthal en vanochtend merkte Friedel, helaas, dat zijn GPS het begeven heeft. Maar gelukkig heeft heeft hij ook een kompas bij zich. We lopen afzonderlijk, zien elkaar ´s avonds. Zolang we hetzelfde tempo houden, tenminste.
Vanochtend half negen, zondag, koffie gedronken in een bar, vol met mannen in allerlei fasen van dronkenschap. Kreeg even de neiging om ook maar even een glaasje van het gele spul waar iedereen zo gelukkig van was, te nemen en de rest van de dag in alcoholische dampen rond te blijven hangen.
Maar ik herkende op tijd de beproeving en bestelde gewoon café con leche en werd beloond met een prachtige zomerse dag. Het koren schiet de grond uit, bloesem verschijnt aan de bomen, de was was binnen een uurtje droog.
Elk dorp heeft zijn eigen Castillo, imposante gebouwen, boven op de heuvel.
Vanavond slapen we in de gymzaal van een basisschool.
De kleuterschool staat ernaast en heeft achter elke klas een klein vierkantje ommuurd, een paar vierkante meter, met looptegels en een zandbak. In het muurtje is een rond kijkgat met gaas ervoor, op kleuterhoogte.
Morgen sluit ik de comunidad van La Mancha af en ben even 15 km in de Comunidad van Madrid.

vrijdag 13 april 2007

Toledo

Dit wordt een inhaalblog. Ik ben een week achter, kwam geen internetcafé´s tegen, de plaatsjes worden wat kleiner. Ik maak wel elke dag een papieren verslag, dus wie weet, later, als ook de foto´s klaar zijn, komen deze dagen er nog helemaal bij.
Nu in Toledo dus, ruim 400 km van Valencia af. Het landschap is pas de laatste dagen wat aan het veranderen: nog steeds landbouw, maar iets meer plooien en glooien, en soms een echt Castillo daarbovenop. De Semana Santa leverde problemen op, het kostte me moeite om op Goede Vrijdag een slaapplaats te vinden, moest met de bus een tiental kilometer verder, kwam uiteindelijk ´s avonds laat op een peperdure plek in een familiehotel terecht, volledig in Don Quijote-stijl ingericht. Paaszaterdag en -zondag in La Toboso, ook een en al Don Quijote, vond een goedkoop hostal, ben er toen maar meteen 2 nachten gebleven. Kon toen de afstand die ik met de bus gedaan had, weer inhalen, begon laat, paasmorgen, bussen vielen uit, heb toen een stuk in het donker gelopen, wel een speciale ervaring.
Sliep gisteren in een soort bunker, onder de muziekkiosk op het dorpsplein van Mora. Nu twee nachten jeugdherberg in Toledo. Prachtig panorama om aan te komen, in Toledo. Vandaag sightseeing, druk en toeristisch, maar wel de moeite waard. En het regent buiten, voor het eerst sinds een paar dagen, verder is het droog geweest. Vanavond weer een concert, ik hoop dat het niet te druk is: Gustav Leonard!!! Orchestra of the Enlightment!!! 2 missen van Bach!!! In prachtig oud klooster!!! Gratis toegang!!!
Het lopen gaat goed, blaren iets hardnekkiger als ik dacht, maar ik heb er nu toch minder last van. De afstanden zijn flink, gisteren tegen de 40 km. Morgen ook weer boven de 30, daarna minder. Tot nu toe geen medepelgrim gezien. Hier in Toledo hoor ik weer andere talen, er was zelfs een aardige gids voor nederlanders en vlamingen voor het kathedraalbezoek. Ik verbaas me er soms over dat ik me geen moment verveel, mis bv absoluut geen mp3-speler (heb wel een tijdje gedacht om er een mee te nemen). Ook al doe ik verder niet veel meer dan wandelen, slaapplek zoeken, eten, slapen.
Ik hoop over vijf dagen in Avila te zijn. Dat is de helft, van Valencia naar Santiago. Ik hoop wat gemakkelijker internetcafé´s te vinden, anders moeten jullie weer een paar dagen wachten op verder bericht. Dank voor jullie aardige reacties, ik vind het veel plezierig om ze te lezen.

Semana Santa (2)

5 april, Witte Donderdag, rustdag
Veel winkels zijn dicht. Ik kijk waar mensen met brood in hun tas vandaan komen en kom op een markt terecht. Die bestaat al eeuwen, lees ik later, de donderdagmarkt van San Clemente: groente, fruit, kleding, kanariepieten en konijnen.
Het oude gemeentehuis is een mooi gerestaureerd gebouw uit de Renaissance en is nu een museum voor moderne grafische kunst, een combinatie die goed uitpakt. Er is een apart zaaltje voor Lucebert en Corneille.
De kerk in, om een stempel te scoren.
In Valencia heb ik een pelgrimspas aangeschaft, een pelgrimsidentiteitsbewijs. De bedoeling is dat ik in elke plaats een stempel laat zetten, liefst die van de kerk natuurlijk, maar een andere instantie kan ook. Op deze manier kan er bij aankomst in Santiago gecontroleerd worden of de pelgrim wel echt gewandeld heeft.
In de kerk is het druk.
Vanavond is er processie, dat wordt voorbereid. De pastoor die de stempel moet geven, heeft het druk, ik heb tijd om goed rond te kijken. Er zijn hier blijkbaar een zevental Confradías (broederschappen, maar vrouwen doen ook mee). Elke Confradía heeft zich een scene uit het lijdensverhaal toegeëigend.
Zo is er Jezus in de Hof van Gethsemane.
Op een platform - door de vele versieringen een kunstwerk op zich - staat een beeld van een geknielde Jezus die met een door angst verwrongen, maar toch waardig gezicht omhoog kijkt. Hij draagt een prachtig rood gewaad. Naast hem een olijfboom. Iemand is bezig de boom van verse takken te voorzien. Anderen zijn bezig om kussens te binden onder de lange houten draagbalken die in de lengte onder het platform vastgemaakt zijn. Alle platforms worden versierd met bloemen.
Verder is er:
Jezus aan de martelpaal
Jezus geboeid en gekroond met doornenkroon
Jezus draagt zijn kruis
Jezus sterft aan het kruis
evangelist Johannes
Maria, Moeder der Smarten
Aan Maria wordt door twee vrouwen bijzondere aandacht gegeven. Ze stoffen haar af, trekken haar prachtige, wijduitstaande jurk recht en spuiten stijfsel op een hagelwitte doek die ze in haar handen houdt en waarop een zilveren kroon ligt. Maria is klein van stuk, net zoals de mensen hier, heeft een donker, bijna zwart gezicht, verstard van verdriet kijkt ze in de verte.
Ik krijg mijn stempel in de pastorie. Daarna een tijd internetten.
Het is een beetje gokken wanneer de processie begint. Het plein moest om 19 uur autovrij zijn, hangt overal aangeplakt. Tegen die tijd ga ik weer eens in de kerk kijken, maak net het laatste stuk mee van de Witte Donderdag-liturgie, het sacrament wordt in een korte processie naar een zijaltaar gebracht. O ja, zo moet dat op Witte donderdag, dat was ik helemaal vergeten. Het baldakijn wordt door vier oude mannen gedragen. Daaronder de priester met de monstrans, daarachter de burgemeester, het hoofd van de Policia Local in uniform en nog een paar notabelen.
Ik ga maar terug naar het hostal, schoenen schoonmaken.
Tegen achten ga ik weer naar buiten. Van alle kanten komen mensen in paarse pijen aangelopen, de puntmuts met het masker onder hun arm.
Het wordt snel donker, een diepblauwe lucht, de straatlantaarns gaan aan.
Vanuit de verte komt een drumband aangemarcheerd, ze maken een extra rondje om de kerk, het geluid knalt tegen de gevels. Mensen blijven toestromen.
Bijna onmerkbaar begint de processie. Een fanfare speelt en heeft zich in beweging gezet: heel langzaam, bijna stapvoets.
Eerst het vaandel van de Confradía. Dan een dubbele rij van gemaskerde mensen, mannen en vrouwen, kinderen. Ze dragen paarse pijen, koorden, lange puntmutsen met stof die over de schouders valt, gaten voor de ogen. Fakkel in de hand. Dan de draagbaar, een scene uit het passieverhaal van Christus, hoog boven alles uit, heen en weer deinend door het langzame lopen. Er zijn 14 dragers bij het kleinste beeld en 44 bij het topstuk, Jezus sterft aan het kruis. In de vrije hand hebben ze een stok, okselhoogte, met een klein dwarsbalkje bovenop. Als de processie stopt, wordt die stok op commando onder de draagbalk gezet, nog een heel precies werk om dat gelijktijdig te doen.
Zo achtereenvolgend de zeven Confradías.
Achter Jezus sterft aan het kruis, bijna onzichtbar in het donker, loopt iemand met een zelfgemaakt kruis over de schouders.
Tot slot Maria. Ze wordt voorafgegaan door een zestal vrouwen, met hoge haarkam en mantilla die op zilveren schalen een doornenkroon dragen.
Dan de priester en de notabelen en de echte fanfare, met koper- en houtblazers.
Bij elkaar duurt het twee uur.
Teruglopend komt me precies voor het hostal de kop van de processie tegemoet en zie ik alles nog een keer. Het gaat wat sneller, de discipline is er wat af. Kinderen die gemaskerd meelopen, plagen kinderen langs de kant die niet weten wie ze voor zich hebben. Het is een smalle straat. Als de laatste fanfare voorbijkomt, kan ik op de standaards zien dat ze de mars El Evangelista spelen.

donderdag 5 april 2007

Semana santa

Het is vier graden, ´s ochtends om negen uur. De route begint in Calle Dulcinea, de laatste straat van het dorp waar je ook aan de Ruta de Don Quijote kunt beginnen. Die route is een anwb-achtig iets. Er staan paaltjes om de weg te wijzen en ik zie mijn eerste picknickplek. Daar trek ik mijn lange broek aan, een extra shirt en doe sokken om mijn handen. Over het platte veld waait het erg hard, ik moet er recht tegen in, het is gewoon koud. Na een paar kilometers begint het ook te regenen. Poncho aan. Het water klettert op me neer,de lucht is helemaal dicht en grijs. De weg is een modderig karrenspoor wat naar de horizon kronkelt en daar is voorlopig niets te zien.
Half twee in Minaya. Het regent iets minder. Het plaatsje is een belangrijke schakel in de noord-zuid verbinding geweest en er zijn nog een paar mooie gebouwen over, ik bekijk de buitenkant. Koffie en broodje in bar Diego.
Na Minaya wordt de bewegwijzering slecht, lijkt af en toe helemaal verdwenen. Het stopt met regenen, het wandelt wel prettig, maar vandaag is de tweede achtereenvolgende dag met een traject van meer dan 30 km en ik begin mijn benen te voelen en mentaal begin ik ook moe te worden. Van mijn blaren heb ik gelukkig niet veel las meer, bedwongen met Compeed.
Pauze in een bar in Casa Los Pinos, een soort dorpshuis, waar oude mannen kaarten. Het is er blauw van de rook. Spanje heeft een strikt rookbeleid, op bijna elke cafédeur staat het bordje dat roken toegestaan is.
De harde, koude wind houdt aan. Het landschap is heel open, in de verte donkere wolken, neerslag hangt eronder, maar bij mij blijft het droog.
San Clemente, een stadje wat er goed uit ziet.
Ik bel de Policia Local die zegt dat er geen herberg is en dat ik maar een hotel moet zoeken. Het wordt hostal Milán, voor 2 nachten.
´s Avonds eet ik in een restaurant aan het kerkplein.
Kom ik buiten - het is over tienen en al lang donker -, kijk ik tegen een processie aan. Een aantal mannen in paarse pijen met een wit koord om hebben een draagbaar op hun schouders. Daarop een levensgroot Christusbeeld, die zijn kruis draagt. Er staat een rij mensen bij, niet eens zoveel. Een priester bidt, het is de laatste statie van een kruisweg.
Ze dragen Christus de kerk in. Het kruis steekt teveel uit, het wordt ingeklapt.
Binnen is het afgelopen, de mannen trekken de pijen over het hoofd, gezellig geroezemoes. In de kerk staan een stuk of tien beelden, op draagbaren. De rest van de week zal er elke dag een processie zijn.
Eentje - morgen, Witte Donderdag - zal ik in ieder geval kunen zien.
Terug in het hostal, tv op mijn kamer, zijn er op een aantal zenders passende films, een EO-achtige verfilming van het leven van Jezus, de film van Mel Gibson, Spartacus. Hollywood en Semana Santa hebben wel iets met elkaar.

Wachten op de man

Albacete is provinciehoofdstad, een compacte stad, een city, het hele centrum is volgezet met hoogbouw. Er is geen middelpunt. De kathedraal is onvindbaar, behalve als je bij de zoveelste flat de goede hoek omslaat. Ik raakte de weg kwijt, maandagavond, begon me niet zo lekker te voelen, het was al donker en het begon te regenen, en kwam - dat gebeurt dan altijd - bij de Burgerking terecht voor het avondeten. In de blik van de serveerster meen ik dan te zien wat op dat ogenblik mijn eigen gedachten zijn.
Het zijn geen helpende gedachten, dus maar naar bed. Weer verdwaal ik.
´s Ochtends is het fris. De straten warmen niet op door de hoogbouw.
Eerst ontbijt. Een oude man met verwarde haren en te lange baard drinkt zwarte koffie aan de bar en staart me een tijd uitdrukkingloos aan.
Op pad onder het motto:
Liever de voeten versleten
dan de blues in Albacete.

Er volgt een lange, rechte weg, door een plat landschap. Zonnig. Het wandelen doet goed.
De beschrijving in het boekje heeft steeds minder woorden nodig ("twee uur verder...").
Een afslag naar Finca Santa Catelina(in de verte een boerderij).
De Club de Aeromodelismo: een poort, een grote partytent.
Een boerderij dicht langs de weg: zes blaffende honden, tegen de schuurdeur trapt grootvader een balletje met zijn kleindochter.
Metalen pijpen in de grond, met sproeikoppen: voor de beregening.
Het Canódrome, een strook zand voor de draf- en rensport.
Dan een tunnel onder de snelweg en ik ben La Gineta, een verrassend mooi dorpje.
Het is laag, de huizen hebben allerlei kleuren, zelfs het trottoir is her en der rood. Er staat een huis met een Gaudi-achtige strook golvend mozaïek over de voorgevel.
Ik koop brood en eet op een van de bankjes die er overal staan.
Verder.
Het gaat waaien, het dreigt te gaan regenen, maar het zet niet door.
Na een afslag verandert de weg in een echte landweg, een karrenspoor met een begroeide middenberm en plassen op de grond, die door het landschap slingert en boerderijen aandoet of wat daar nog van over is. Leeuwerikken boven het groene koren.
Dan aan de horizon een strook bomen, daarboven een torenspits, als in de polder van Westbroek.
De bomen staan langs een kanaal, een betonnen bedding, die van inks naar rechts door het landschap snijdt. Nog een uur naar de kerktoren, La Roda, tegen de ondergaande zon in.
Bij binnenkomst staat er toevallig iemand van de Policia Local. Hij komt op me toe en legt een hand op mijn schouder: zoek ik misschien de herberg?
Hij praat in de mobilofoon en brengt me naar een collega die even verder het verkeer staat te regelen. Overleg met de centrale. Ik moet naar het Campo de Esportes, daar is een man die me alles zal wijzen.
Het is een groot terrein: voetbalveld, hal, tennisveld, nog meer buitenvelden.
Niemand die op me toekomt, wel een dertigtal teeners die net klaar zijn met de sportclub. Ik ben een bezienswaardigheid. Ze nemen foto´s en vragen wat ik wil.
Een beetje maf verhaal, vinden ze, een rare man die in koeterwaals-spaans op een voetbalveld een herberg voor pelgrims zoekt.
"Hoe heet u?"
"Ik heet Jos".
"Hij heet Jos!!!!!"
Er wordt druk overlegd. Ik hoor het woord tonto al. Ze besluiten dat ik weer naar de politie moet. Een zestal dapperen gaan mee. Ze brengen me naar de Guardia Civil, dat is de verkeerde politie. Opnieuw overleg. Naar de man van de Policia Local die het verkeerde regelde, dat is een goed idee.
De politieman zegt dat ik moet wachten. Het kan nog een uur duren.
Maar het duurt vijf minuten, dan is Antonio er. Ik neem hartelijk afscheid van de jeugd van La Roda.
Antonio of Antoine, zoals hij zich liever noemt, brengt me naar een ruimte onder de tribunes, een soort clubhuis voor de plaatselijke vrienden van de Camino. Een paar ruimtes die volstaan met dingen die altijd nog van pas kunnen komen. Affiches van de verschillende spaanse Camino´s aan de muur.
Er staat een paar veldbedden. Het is er stil, ik slaap erg goed.

maandag 2 april 2007

¡Yo no soy tonto!

Er zijn bij zo´n tocht plaatsen die je meteen liggen. Chincilla waar ik vanochtend was, is er zo een voor mij. En Albacete waar ik nu ben, heeft het helemaal niet.
Vanochtend scheen de zon, een onbewolkte, schoongewassen lucht, dat helpt. Kalme mensen die steeds berg-op, berg-af moeten gaan om ergens te komen. Mooie oude gebouwen.
Toch een dijk van een industrieterrein, dat Chincilla, compleet met rokende schoorstenen. Het kon me allemaal niets schelen. De zon, de leegte, de sfeer van vervreemding, ik heb een hele serie foto´s gemaakt. Wanneer kom ik nou in Nederland op een terrein met zo´n uitstraling? ¡Yo no soy tonto! zoals ook hier de Mediamarkt metersgroot op billboards heeft staan.
Na de industrie een landweg, door de groene velden, volledig vlak.
De skyline van Albacete, provinciehoofdstad, is steeds te zien, maar 15 km weg.
Eerst een soort banlieu, een paar rijen identieke flats, veel schotels en gordijnen die over de balkons hangen om ze tegen de zon af te schermen. Enorme troep op de grond. Verwaarlozing, van omgeving en van mensen.
Iemand wijst me een nieuwe Auberge Municipal. Het lijkt me niets voor pelgrims, maar eerder een opvang voor zwervers en probleemjongeren. Twee man bewaking achter de balie. Dus het wordt Hostal Augustin, uit het boekje. Ook niet helemaal fris, letterlijk, maar wel voor de doelgroep.
Maar Albacete bevalt me dus niet, ook niet nu ik het centrum gezien heb. Geen karakter, te dicht bebouwd. Maar misschien moet ik een keer op een zonnige ochtend terugkomen.

¡Yo no soy tonto!

Er zijn bij zo´n tocht plaatsen die je meteen liggen. Chincilla waar ik vanochtend was, is er zo een voor mij. En Albacete waar ik nu ben, heeft het helemaal niet.
Vanochtend scheen de zon, een onbewolkte, schoongewassen lucht, dat helpt. Kalme mensen die steeds berg-op, berg-af moeten gaan om ergens te komen. Mooie oude gebouwen.
Toch een dijk van een industrieterrein, dat Chincilla, compleet met rokende schoorstenen. Het kon me allemaal niets schelen. De zon, de leegte, de sfeer van vervreemding, ik heb een hele serie foto´s gemaakt. Wanneer kom ik nou in Nederland op een terrein met zo´n uitstraling? ¡Yo no soy tonto! zoals ook hier de Mediamarkt metersgroot op billboards heeft staan.
Na de industrie een landweg, door de groene velden, volledig vlak.
De skyline van Albacete, provinciehoofdstad, is steeds te zien, maar 15 km weg.
Eerst een soort banlieu, een paar rijen identieke flats, veel schotels en gordijnen die over de balkons hangen om ze tegen de zon af te schermen. Enorme troep op de grond. Verwaarlozing, van omgeving en van mensen.
Iemand wijst me een nieuwe Auberge Municipal. Het lijkt me niets voor pelgrims, maar eerder een opvang voor zwervers en probleemjongeren. Twee man bewaking achter de balie. Dus het wordt Hostal Augustin, uit het boekje. Ook niet helemaal fris, letterlijk, maar wel voor de doelgroep.
Maar Albacete bevalt me dus niet, ook niet nu ik het centrum gezien heb. Geen karakter, te dicht bebouwd. Maar misschien moet ik een keer op een zonnige ochtend terugkomen.

Palmtakje

1 april 2007
Ik drink koffie in een bar waar drie zware jongens op zondagmorgen negen uur al (of: nog?) aan de whiskey zijn.
Het is fris buiten, het heeft veel geregend. De bergen aan weerskanten van de weg zijn nauwelijks te zien door laaghangende wolken. Het is vochtig en heel erg stil. De nevel trekt langzaam op. Ik loop vlak langs een windmolenpark, rechts worden eerst de grote wieken, dan de lange palen zichtbaar.
Halverwege ligt een plaatsje, Hoya Gonzalo. Ik loop het dorp binnen, richting kerk, en voor me verschijnt het begin van een processie, een man met kruis, daarachter mannen en vrouwen, kinderen, palmtakken in de hand. Als laatste een priester in rood kasuifel. Ze verdwijnen weer achter de huizen. Als ik bij de ingang van de kerk kom, is de kop van de processie er ook net weer, ze hebben een rondje kerk gedaan. Pelrim en processie bekijken elkaar nieuwsgierig. Een man scheurt een takje van zijn palmtak en komt dat aan me geven. Hij heeft in Duitsland gewerkt, spreekt goed duits. Het is bijna Ostern, zegt hij, en wenst me een goede reis. De processie gaat de kerk in, na enige aarzeling sluit ik me aan bij een groepje laatkomers en ga achterin staan, tussen de andere laatkomers, palmtakje in de hand. Het is de gewone misliturgie. Het passie-evangelie wordt in een rollenspel gelezen: een vrouw leest de tekst en doet alle rollen, behalve die van christus, die doet de pastoor. Het is teveel spaans, zeker nu de preek eraan komt, en ik ga de kerk uit, naar de tegenoverliggende kroeg. Een groep oude mannen vertelt elkaar sterke verhalen, met harde, rauwe keelklanken waarvan ik zelf bijna last van mijn strottenhoofd krijg. De krant: Barcelona - Deportivo: 2-1.
Nu loop ik dus met een palmtakje achter mijn Jacobsschelp.
De route volgt een lange landweg tussen velden waar een paar centimeter hoog groen koren op staat. De stenen zijn van de aarde gehaald, liggen opgestapeld, eerst her en der verspreid over het veld, zodat je kunt voorstellen dat de boer ze met de kruiwagen bij elkaar gebracht heeft. Later worden de velden groter, de stapels stenen ook en ze liggen veel verder uit elkaar, dat moet met de vrachtwagen gebeurd zijn.
De lucht betrekt. Een donderslag. Regen.
Ik denk, hoop dat het achter me wegtrekt, maar het haalt me in. Poncho op. De regen zet flink door, de lucht is snel volledig dichtgetrokken, onweer rommelt overal. Een paar bliksemflitsen, niet al te dichtbij, ik tel de seconden. Het hoost nu. Nergens plek om te schuilen. Ik loop maar door, soppend door de modder.
Het stadje ligt achter een berg verstopt, tegen een helling. De VVV heeft het slaapadres, de VVV is halverwege de berg, ik sjok de berg op. De daken druipen, de goten lopen over, water stroomt over de straten naar beneden. De VVV is dicht, maar achter het raampje in de deur verschijnt een mannenhoofd wat me doorverwijst naar Hostal El Peñon. Beneden, aan de weg waar ik net vandaan kom.
Daar is het erg druk, mijn inschrijving gaat van eigenaar naar zoon naar eerste bediende.
Een rustige kamer. ´s Avonds een life passiespel op tv, stroboscopische lichteffecten en een rookmachine bij de kruisdood en knallend vuurwerk bij de verrijzenis.

36,7

31 maart 2007
De Sierra del Mugrón is de opstekende rand die je in de verte aan het eind van de vlakte van Almansa kunt zien. De Camino slingert zich naar boven, naar de linkerkant van de Sierra. Het is prachtig weer. Ik heb de zon in de rug, zie mijn schaduw over de weg bewegen en denk: het gaat weer goed zo! De weg stijgt langzaam, akkers verdwijnen. Hei en andere stekelige struiken, rotsen. Prachtige vérgezichten achter me, vóór me de massieve wand van de Sierra die steeds dichterbij komt, een klein wit huisje aan de voet. Ineens duikt rechts een fietser op, met Houston Control-achtige precisie treffen we elkaar op een kruispunt en laat ik hem voorgaan. Ik pauzeer op de drempel van het verlaten witte huisje, in de zon, laat al mijn zintuigen werken om te beseffen waar ik ben.
De weg draait in een bocht om de Sierra heen en daalt weer. Het groen is geruimd, er ligt een geëgaliseerd en aangeharkt stenenveld wat zich tot beneden uitstrekt. Ik kijk uit over de volgende vlakte: een lappendeken van landbouwvelden.
Beneden eerst een paar kilometer langs een niet zo drukke autoweg.
Dan linksaf over een aarden weg, door de velden. Het is een vlak landschap en het duurt lang. Vandaag moet ik 36,7 kilometer.
Tweemaal over een spoorbrug. Het spoor is een strook grint zonder biels of rails. Op de brug groeit gras en het beton is gebarsten.
Een verharde weg. Wat duurt het lang! Ik eet mijn laatste brood, het is tegen zessen. Eindelijk: een kerktoren achter de bomen! Vergissing: boerderij!
De weg begint weer te stijgen, ik moet over de rand van de vlakte heen, een nieuwe vlakte, en daar tegen een berg ligt eindpunt Higueruela.
Er is een echte refugio in het oude gemeentehuis. In een bar krijg ik de sleutel. Een oude man wijst me de weg. De deur staat open. Het gemeentehuis is een cultureel centrum geworden, er staan schildersezels en er is een kursus aan de gang.
Beneden is een ruimte met 2 bedden en een paar diepe fauteuils. Mmmm...
Later ga ik terug naar de bar om te eten. De lucht is intens blauw, flarden van wolken trekken voorbij, straatlantaars schijnen op de witte huizen.
In de bar hangen twee grootbeeldschermen, elk een eigen programma. Ik kies voor de latino top veertig en bestel mijn menu del día. Tegen tienen wordt het druk, de schermen worden gelijkgeschakeld: Barcelona - Deportivo begint!
Ik ben heel verstandig en ga naar bed.