Avila ligt op een bult in een vlakte, dus donderdag 19 april ga ik eerst omlaag, de stad uit, onder de stadsmuren door, en daarna weer omhoog. Door de rafelranden van de stad: stukje bebouwd, stukje volkstuin, nieuw gaas, verroest gaas, puin en vervallen muurtjes.
Twee dorpen verder, en een doortocht tussen minstens honderd zwarte koeien, ben ik over de heuvelrand en zie dat de bergen voorlopig voorbij zijn. Voor me ligt een uitgestrekte vlakte, weer grootschalig landbouwgebied. De weg, een breed zandpad, daalt langzaam en vóór me kan ik alle dorpen zien waar ik deze dag nog doorheen ga.
De lucht is blauw, het koren groen, het is lekker warm, in marstempo naar beneden.
De infrastructuur is hier, in Castilia y Leon, anders.
In La Mancha lagen de dorpen, redeljk groot en booming, zo´n 20 tot 30 kilometer uit elkaar en niks daartussen.
Hier is de afstand rond de vijf tot tien kilometer, mooi op loopafstand, en het zijn kleine dorpjes, een handvol huizen rond de kerk en kroeg. Er is niet veel te doen. Niks urbanizaciones, er wordt af en toe een huis bijgezet.
Er staan nog volop oude, lage, witte huizen, vaak vervallen, soms verlaten, soms nog bewoond en her en der hersteld. Een voordeur en kozijnen van aluminium. Golfplaten onder de pannen. Er staat veel te koop. Wie geld heeft, bouwt een nieuw huis: twee verdiepingen, tralies en rolluiken, grint in de tuin, een groot hek en daarvóór een trottoir.
De weg gaat van dorp naar dorp.
Het ene dorp is een onoverzichteljke klontering van huizen rond het plaza en de kerk.
Het andere is een western-dorp: een lange, brede straat met links en rechts de lage gevels van de huizen, de bar, een klein winkeltje. Ik voel me altijd even Gary Cooper als ik begin van de middag, harde schaduwen, over een stoffige weg zo´n slaperig dorpje binnenloop en de eerste hond begint te blaffen.
Er staan borden dat in 1504 de begrafenisstoet van Isabel la Católica hier langs getrokken is. Ze wordt grondlegger en moeder van Spanje genoemd, had verblijf en kasteel in Medina del Campo waar ik naar toe ga. Daar is ze gestorven en over deze weg naar Granada gebracht waar ze begraven ligt. Dat moet een wekenlange tocht geweest zjn, in 1504 , wat moet ik me daar bij voorstellen.
We overnachten in de gemeenschapszaal, achter het gemeentehuis.
Het is een grote zaal, met podium, en een nagalm als in een kerk.
We moeten er een tijdje uit als er aerobics is.
We gebruiken de matjes als extra matras. Friedel slaapt in een verwarmd kamertje. Daar moet ik niks van hebben. Ik slaap lekker fris in de zaal, met twaalf rode led-lampjes aan de muur.
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
0 reacties:
Een reactie plaatsen