maandag 2 april 2007

Palmtakje

1 april 2007
Ik drink koffie in een bar waar drie zware jongens op zondagmorgen negen uur al (of: nog?) aan de whiskey zijn.
Het is fris buiten, het heeft veel geregend. De bergen aan weerskanten van de weg zijn nauwelijks te zien door laaghangende wolken. Het is vochtig en heel erg stil. De nevel trekt langzaam op. Ik loop vlak langs een windmolenpark, rechts worden eerst de grote wieken, dan de lange palen zichtbaar.
Halverwege ligt een plaatsje, Hoya Gonzalo. Ik loop het dorp binnen, richting kerk, en voor me verschijnt het begin van een processie, een man met kruis, daarachter mannen en vrouwen, kinderen, palmtakken in de hand. Als laatste een priester in rood kasuifel. Ze verdwijnen weer achter de huizen. Als ik bij de ingang van de kerk kom, is de kop van de processie er ook net weer, ze hebben een rondje kerk gedaan. Pelrim en processie bekijken elkaar nieuwsgierig. Een man scheurt een takje van zijn palmtak en komt dat aan me geven. Hij heeft in Duitsland gewerkt, spreekt goed duits. Het is bijna Ostern, zegt hij, en wenst me een goede reis. De processie gaat de kerk in, na enige aarzeling sluit ik me aan bij een groepje laatkomers en ga achterin staan, tussen de andere laatkomers, palmtakje in de hand. Het is de gewone misliturgie. Het passie-evangelie wordt in een rollenspel gelezen: een vrouw leest de tekst en doet alle rollen, behalve die van christus, die doet de pastoor. Het is teveel spaans, zeker nu de preek eraan komt, en ik ga de kerk uit, naar de tegenoverliggende kroeg. Een groep oude mannen vertelt elkaar sterke verhalen, met harde, rauwe keelklanken waarvan ik zelf bijna last van mijn strottenhoofd krijg. De krant: Barcelona - Deportivo: 2-1.
Nu loop ik dus met een palmtakje achter mijn Jacobsschelp.
De route volgt een lange landweg tussen velden waar een paar centimeter hoog groen koren op staat. De stenen zijn van de aarde gehaald, liggen opgestapeld, eerst her en der verspreid over het veld, zodat je kunt voorstellen dat de boer ze met de kruiwagen bij elkaar gebracht heeft. Later worden de velden groter, de stapels stenen ook en ze liggen veel verder uit elkaar, dat moet met de vrachtwagen gebeurd zijn.
De lucht betrekt. Een donderslag. Regen.
Ik denk, hoop dat het achter me wegtrekt, maar het haalt me in. Poncho op. De regen zet flink door, de lucht is snel volledig dichtgetrokken, onweer rommelt overal. Een paar bliksemflitsen, niet al te dichtbij, ik tel de seconden. Het hoost nu. Nergens plek om te schuilen. Ik loop maar door, soppend door de modder.
Het stadje ligt achter een berg verstopt, tegen een helling. De VVV heeft het slaapadres, de VVV is halverwege de berg, ik sjok de berg op. De daken druipen, de goten lopen over, water stroomt over de straten naar beneden. De VVV is dicht, maar achter het raampje in de deur verschijnt een mannenhoofd wat me doorverwijst naar Hostal El PeƱon. Beneden, aan de weg waar ik net vandaan kom.
Daar is het erg druk, mijn inschrijving gaat van eigenaar naar zoon naar eerste bediende.
Een rustige kamer. ´s Avonds een life passiespel op tv, stroboscopische lichteffecten en een rookmachine bij de kruisdood en knallend vuurwerk bij de verrijzenis.

Geen opmerkingen: