Wanneer kun je zeggen dat je de zee weer ziet?
Ongeveer een week geleden, maandagochtend 14 mei, liep ik Santiago uit.
Een smal stijgend pad naar een plek met een mooie terugblik op de stad: de torens en het reuzenrad (want het was kermis), fraai in het tegenlicht van de opgaande zon.
Daarna klimmen en dalen, afwisselend eucalyptusbossen, dorpjes en huizen verspreid tegen de heuvels aangebouwd.
Er rijdt een geluidswagen een eindje verderop: een opgewekt muziekje, een energieke stem, dat moet de politiek zijn. Op 27 mei zijn er verkiezingen voor burgemeester en gemeenteraad. Er zijn overal affiches, ik zie alleen landelijke en regionale partijen. De hoofden verschillen per regio en stad, de tekst is overal hetzelfde. In Gallicië timmert het BNG flink aan de weg, Bloque Nationalista Galego. De naam roept vragen bij me op, maar ik ken de standpunten en de praktijken van de partij niet, op de posters zijn het allemaal buitengewoon aardige mensen.
De eerste dag is ruim dertig kilometer lang en eindigt in Negreira, een plaatsje met een lange geschiedenis, en nu ruim 2000 inwoners. Hemingway heeft het nog gebruikt in een van zijn boeken.
Ik kom tegen vieren aan, loop het stadje door, een heuvel op, daar is de albergue, mudvol.
Boven zijn alle bedden bezet, en beneden staat het vol met rugzakken en matrassen die allemaal gereserveerd zijn. De hospitalero zegt dat ze om acht uur terug komt en dan een kamer open maakt waar nog vier bedden staan en nog een paar matrssen zijn. Ze zal dan plaatsen toewijzen en ze vraagt er begrip voor dat mensen op leeftijd zoals die meneer daar - ze kijkt naar mij - dan voorrang hebben.
Goed, leeftijdsdiscriminatie, ik zal er deze keer geen punt van maken.
Tenminste, na nog even goed rondgekeken te hebben, wil ik helemaal niet in het pakhuis slapen en ga terug, op zoek naar een hostal. Tegen de stroom in, want nog altijd komen er vermoeide pelgrims de heuvel opsjokken met in hun ogen de hoopvolle blik van: "het was wel ver vandaag, maar dadelijk is het voorbij".
Ik vind een hostal dat in de loop van de middag vol raakt, net zoals het hotel een straat verderop.
De volgende dag is de albergue in Olveiroa, een plaatsje van niks.
Je kunt je er bijna niet aan onttrekken, een wat gejaagde sfeer, ik wil vanavond wel in een bed slapen.
Sommige mensen maken een omweg om in een gereserveerd hotel te kunnen slapen.
De albergue blijkt echter flink uitgebreid te zijn, er is (net) plek voor iedereen. Ik slaap boven in de oude koeienstal. Het stinkt, maar dat doet het in het hele dorp. Pelgrimsbedrijf en boerenbedrijf zijn nog in evenwicht met elkaar, maar een van de huizen is al omgebouwd tot pension en restaurant.
Een dorpeling zoekt een praatje, hij vertelt met trots dat er ´s zomers wel eens meer dan honderd pelgrims overnachten, ze liggen dan zelfs buiten op de grasveldjes. Hij spreekt een beetje duits, heeft in Duitsland gewerkt en is teruggekeerd. De jonge mensen van tegenwoordig gaan naar Madrid of Barcelona, hier is geen werk.
De derde dag: zou een mooie route moeten zijn, boven over de heuvels, met de eerste uitzichten op zee.
Het is bewolkt en fris. Ik loop langs zwartgeblakerde grond, waar af en toe nog zwarte stronken en resten van bomen uit steken. Gevolg van bosbranden. Een buitengewoon treurig gezicht.
Donkere heuvels in de verte, daartussen het eerste stukje zee, grijs zoals de lucht.
Vlak bij Cee breken de wolken, de hemel wordt blauw en dan een prachtig panoramisch overzicht over de baai en de bergen. In de verte is de vuurtoren van Fisterra al te zien.
Het is te halen, diezelfde dag, maar ik wil ´s ochtend aankomen, dus eerst nog een nacht in een albergue, in Corcubión, een zestal kilometers vóór Fisterra.
De albergue heeft 14 bedden. Ik kom als nummer 15 aan en wordt streng de deur gewezen. "Vol, meer dan 14 mag niet van de verzekering".
Een spaanse man met steeds twee vrouwen bij zich die mij konsekwent in het engels en met George aanspreekt, begint binnen een diskussie met de hospitalero.
Het helpt.
De hospitalero komt naar buiten: "Waar is die oude man die in zijn eentje van Valencia is komen lopen?"
De hospitalero heet Judy, een kordate engelse, met ook een mooie leeftijd, die samen met haar spaanse man, een tijdje de herberg runt. Ze maken zelf de avondmaaltijd klaar, salade en linzensoep.
Tijdens het eten vliegt er laag een groot driemotorig propellervliegtuig over, een blustoestel. Er is geen brand. Judy vertelt dat dit de gemeenteraadverkiezingen zijn, het gemeentebestuur laat zien wat het allemaal voor elkaar gekregen heeft.
Ze zegt ook dat de bosbranden vaak aangestoken worden - "hier niet, hoor" - omdat er aan landbouwgrond of een golfterrein meer verdiend kan worden.
ś Ochtends wordt er gregoriaanse muziek opgezet en is er een spaans ontbijt, koffie met warme melk, geroosterd brood en jam.
Ik vertrek voor de laatste kilometers. Het is stralend weer.
Stukje naar beneden, waar huizen staan, weer omhoog door een stuk bos, links steeds de baai tussen de bomen. Uiteindelijk omlaag, asfaltweg oversteken, daar is het strand en daar is het pas echt: ik zie, ruik, voel en hoort het.
Zand en water, ik doe mijn schoenen uit voor de laatste twee kilometers.
Onderdag in Hospidaje Lopéz, een kamer met ver uitzicht over haven en zee. Gekrijs van meeuwen.
Ik ben net voor zonsondergang bij de vuurtoren. Het is niet zo druk als ik verwacht had en stil genoeg. Als de zon weg is, worden er op verschillende plekken vuurtjes gemaakt: oude pelgrimstraditie, kleren verbranden, maar het moderne spul blijkt moeilijk in de fik te krijgen. Als de foto gemaakt is, is het verder ook wel goed.
In het donker de terugweg naar beneden.
Hieronder zijn de berichten te vinden van een aantal wandeltochten naar Santiago de Compostela.
zondag 20 mei 2007
zondag 13 mei 2007
Aankomst
Mijn derde aankomst in Santiago, gisteren 12 mei.
De Koninklijke Weg ligt er al een tijdje, is misschien ooit een beetje vergeten. De asfaltweg ligt verderop. Oude keien als bestrating, kippen op de weg, een paar plassen water. Ik wil een foto maken, even wachten tot die auto voorbij is.
Spetter!!!
Ik loop Santiago binnen met een broek alsof ik net niet de wc gehaald heb.
Het droogt redelijk snel op, gelukkig.
Het binnenlopen, einde tocht (nog niet helemaal), is een gek gevoel wat ik niet goed onder woorden kan brengen.
´s Ochtends vertrokken uit de albergue van Vedra, twee belgen en een duitser voor me, een spaanse fietster na me die me halverwege inhaalt.
Het is heel rustig wandelweer. Een beetje mistig, vochtig weer wat nauwelijks opklaart. Een zandpad door eucalyptusbossen.
In mijn eentje om acht uur ´s ochtends door een volkomen stil landschap lopen, dat zit er in Nederland niet meer in.
De weg wordt asfalt tussen en her en der verspreid staande huizen, model "Mijn Kasteeltje".
Ik kan niet goed meer tegen de honden. Achter elk hek word je aangeblaft alsof je staatsvijand nr 1 bent. Hou meer ketting en hek er is, hoe minder de beesten het nodig vinden vinden zichzelf in bedwang te houden. Om de paar meter maximale agressie omdat jij het bent. De klodders spuug vliegen je om de oren. Bij wijze van spreken dan, meestal.
Nog geen koffie gedronken, maakt me extra prikkelbaar, en het duurt even voor ik een bar vind. Misschien ben ik na al die dagen ook wel meer moe dan ik wil weten. Ik zie een keer een pijl over het hoofd, moet terugkeren, een aardige jongen op een fiets helpt me verder.
Onder de autoweg van Santiago door, er ligt een enorme berg ijzerhandel, bijna zo hoog als het viaduct zelf. Het levert beeldrijm op met de nieuwe architectuur die een eind verderop op de heuvels neergezet is.
Steeds meer mensen om me heen, open landschap wordt stad. Ook zonder die natte broek voel ik me nu een rare verschijning worden, ook al is het Santiago.
Ik loop om twee uur de kathedraal in. Wat gaan die laatste meters snel. Ik ga zitten, het duurt een twintig minuten voor ik echt helemaal aangekomen ben.
Weer buiten, een meneer wil wel een foto van me maken.
Oorkonde ophalen bij het pelgrimsbureau.
Sms-en krijgen en versturen.
Een slaapplaats regelen. Ik probeer een paar hostals, had dat natuurlijk veel eerder moeten regelen, en kom uiteindelijk in Albergue Acuario (Aquarius)terecht (het Seminarie is gesloten wegens verbouwing, heb ik gehoord).
Een feest der herkenning: de jaren zestig. Kralenkettingen op een oranje muur, doeken aan het plafond, papieren lampen die een zacht licht verspreiden. Zoete geuren, jacobsschelpen, een heel klein boeddhabeeldje.
Ik ga op bed liggen en dommel weg met de Beatles, Simon en Garfunkel en eindeloze ierse folksongs die de buitengewoon aardige hospitalero draait.
´s Avonds, het is er weer: een gratis klassiek concert, in een kleine neo-klassieke kerk, deze keer orgelmuziek van mij onbekende spaanse componisten uit de barok.
De aardige mevrouw die de inleiding houdt blijkt de organiste zelf te zijn. Na afloop laat ze zich nog even boven bij de balustrade zien, bloemen in haar hand, en betrekt met een handgebaar ook het orgel in het applaus.
Op de terugweg negeer ik een kroeg met levende doedelzak en trommel en een rockband op een pleintje.
Wel even een internetcafé in, mail checken.
Als ik weer buitenkom, is het donker en plenst de regen.
In Acuario is het druk en nog erg gezellig.
Vandaag rustdag, morgen de laatste kilometers, ik wil de zee weer zien!!!
De Koninklijke Weg ligt er al een tijdje, is misschien ooit een beetje vergeten. De asfaltweg ligt verderop. Oude keien als bestrating, kippen op de weg, een paar plassen water. Ik wil een foto maken, even wachten tot die auto voorbij is.
Spetter!!!
Ik loop Santiago binnen met een broek alsof ik net niet de wc gehaald heb.
Het droogt redelijk snel op, gelukkig.
Het binnenlopen, einde tocht (nog niet helemaal), is een gek gevoel wat ik niet goed onder woorden kan brengen.
´s Ochtends vertrokken uit de albergue van Vedra, twee belgen en een duitser voor me, een spaanse fietster na me die me halverwege inhaalt.
Het is heel rustig wandelweer. Een beetje mistig, vochtig weer wat nauwelijks opklaart. Een zandpad door eucalyptusbossen.
In mijn eentje om acht uur ´s ochtends door een volkomen stil landschap lopen, dat zit er in Nederland niet meer in.
De weg wordt asfalt tussen en her en der verspreid staande huizen, model "Mijn Kasteeltje".
Ik kan niet goed meer tegen de honden. Achter elk hek word je aangeblaft alsof je staatsvijand nr 1 bent. Hou meer ketting en hek er is, hoe minder de beesten het nodig vinden vinden zichzelf in bedwang te houden. Om de paar meter maximale agressie omdat jij het bent. De klodders spuug vliegen je om de oren. Bij wijze van spreken dan, meestal.
Nog geen koffie gedronken, maakt me extra prikkelbaar, en het duurt even voor ik een bar vind. Misschien ben ik na al die dagen ook wel meer moe dan ik wil weten. Ik zie een keer een pijl over het hoofd, moet terugkeren, een aardige jongen op een fiets helpt me verder.
Onder de autoweg van Santiago door, er ligt een enorme berg ijzerhandel, bijna zo hoog als het viaduct zelf. Het levert beeldrijm op met de nieuwe architectuur die een eind verderop op de heuvels neergezet is.
Steeds meer mensen om me heen, open landschap wordt stad. Ook zonder die natte broek voel ik me nu een rare verschijning worden, ook al is het Santiago.
Ik loop om twee uur de kathedraal in. Wat gaan die laatste meters snel. Ik ga zitten, het duurt een twintig minuten voor ik echt helemaal aangekomen ben.
Weer buiten, een meneer wil wel een foto van me maken.
Oorkonde ophalen bij het pelgrimsbureau.
Sms-en krijgen en versturen.
Een slaapplaats regelen. Ik probeer een paar hostals, had dat natuurlijk veel eerder moeten regelen, en kom uiteindelijk in Albergue Acuario (Aquarius)terecht (het Seminarie is gesloten wegens verbouwing, heb ik gehoord).
Een feest der herkenning: de jaren zestig. Kralenkettingen op een oranje muur, doeken aan het plafond, papieren lampen die een zacht licht verspreiden. Zoete geuren, jacobsschelpen, een heel klein boeddhabeeldje.
Ik ga op bed liggen en dommel weg met de Beatles, Simon en Garfunkel en eindeloze ierse folksongs die de buitengewoon aardige hospitalero draait.
´s Avonds, het is er weer: een gratis klassiek concert, in een kleine neo-klassieke kerk, deze keer orgelmuziek van mij onbekende spaanse componisten uit de barok.
De aardige mevrouw die de inleiding houdt blijkt de organiste zelf te zijn. Na afloop laat ze zich nog even boven bij de balustrade zien, bloemen in haar hand, en betrekt met een handgebaar ook het orgel in het applaus.
Op de terugweg negeer ik een kroeg met levende doedelzak en trommel en een rockband op een pleintje.
Wel even een internetcafé in, mail checken.
Als ik weer buitenkom, is het donker en plenst de regen.
In Acuario is het druk en nog erg gezellig.
Vandaag rustdag, morgen de laatste kilometers, ik wil de zee weer zien!!!
maandag 7 mei 2007
Xacob en de anderen
Met de Via de la Plata zijn ook de medepelgrims verschenen.
De eerste was Jurgen, een duitse man, net als ik in rode regenponcho, die ik in het open veld al van ver zag aankomen, en die langzaam maar zeker op me inliep.
We aten samen een bocadillo op een dorpsbankje.
- Waar kom je vandaan? (welke taal gaan we spreken?)
- Waar ben je begonnen?
- Heb je ook slecht weer gehad?
- Tot hoelang loop je morgen?
- Wanneer wil je aankomen?
In een hoek van het dorpsplein loopt een echtpaar even in beeld. Het zijn Sepp (72) en Gretl (69) uit Oostenrijk. Je ziet ze nu nauwelijks, maar let op, er gebeuren bijzondere dingen.
Het wordt die dag pokkenweer. Er waait een stevige koude wind, we lopen onbeschut door open veld en ´s middags begint het te hozen en dat houdt niet meer op. Water op de weg, modder, blubber. Druipende poncho, kleren daaronder worden langzaam klam en nat, koud water in de schoenen.
Een vrolijk Hello uit een hooiberg waar het echtpaar Nick (Amerikaan, met italiaanse voorouders) en Conche (spaans, uit Sevilla) een droge plek gevonden heeft.
De Albergue is in Riego del Campo, een dorp waar de stal voor het vee midden in het dorp is, schapenpoep en koeienstront op het beton van de straat.
Jurgen is er al en demonstreert hoe hij met een pas gekochte reisföhn schoenen en sokken droog krijgt.
Jacob komt uit de douche. Nederlandse man, gehandicapt door de gevolgen van een verstopping in de halsslagader, vast van plan om na de Camino Frances ook de Via de la Plata te halen.
Even wennen voor me, zoveel mensen tegelijk.
Gelukkig kan ik een kamertje voor me alleen organiseren en kan ik zo de contacten overzichtelijk houden.
Aan de snelweg ligt bar Pepe, een beetje vervallen aan de buitenkant, maar het interieur kan nog een hele tijd mee. Er kan gegeten worden, dan doen we, 7 pelgrims om half negen, we zijn de enige klanten.
De volgende ochtend ook ontbijt bij Pepe, koffie en zoete broodjes.
Jacob, die zijn rechterarm niet kan gebruiken en geen spaans spreekt, krijgt een briefje mee, waarop in het spaans gevraagd wordt hem te helpen bij het smeren van het brood.
De dochter van de waardin maakt met haar telefoon foto´s van de rugzakken. Als ze klaar is met school, wil ze ook naar Santiago. Moeder heeft haar bedenkingen.
We vertrekken, door het ontbijt min of meer als groep.
Ik loop een stuk met Jacop op. Hij is een gelovig man die op de Ruta de la Plata het bidden mist. Op de Camino Francés waren de kerken open en kwam het regelmatig voor dat mensen spontaan met elkaar in gebed gingen.
Na een paar kilometer moeten er beslissingen genomen worden: linksaf via Orense of rechtdoor via Astorga.
Het oostenrijks echtpaar beslist ter plekke dat het naar links gaat. Jacob gaat rechtdoor, hij is de enige, maar hij moet wel, de andere route is te zwaar voor hem.
Hij zegt dat hij vóór Salamanca al met een ambulance van een helling gehaald moest worden.
We zwaaien hem na, dapper in zijn eentje naar het noorden.
En zo verschijnen de mensen en verdwijnen ze weer.
De Camino, het leven zelf, net wat u zegt.
De eerste was Jurgen, een duitse man, net als ik in rode regenponcho, die ik in het open veld al van ver zag aankomen, en die langzaam maar zeker op me inliep.
We aten samen een bocadillo op een dorpsbankje.
- Waar kom je vandaan? (welke taal gaan we spreken?)
- Waar ben je begonnen?
- Heb je ook slecht weer gehad?
- Tot hoelang loop je morgen?
- Wanneer wil je aankomen?
In een hoek van het dorpsplein loopt een echtpaar even in beeld. Het zijn Sepp (72) en Gretl (69) uit Oostenrijk. Je ziet ze nu nauwelijks, maar let op, er gebeuren bijzondere dingen.
Het wordt die dag pokkenweer. Er waait een stevige koude wind, we lopen onbeschut door open veld en ´s middags begint het te hozen en dat houdt niet meer op. Water op de weg, modder, blubber. Druipende poncho, kleren daaronder worden langzaam klam en nat, koud water in de schoenen.
Een vrolijk Hello uit een hooiberg waar het echtpaar Nick (Amerikaan, met italiaanse voorouders) en Conche (spaans, uit Sevilla) een droge plek gevonden heeft.
De Albergue is in Riego del Campo, een dorp waar de stal voor het vee midden in het dorp is, schapenpoep en koeienstront op het beton van de straat.
Jurgen is er al en demonstreert hoe hij met een pas gekochte reisföhn schoenen en sokken droog krijgt.
Jacob komt uit de douche. Nederlandse man, gehandicapt door de gevolgen van een verstopping in de halsslagader, vast van plan om na de Camino Frances ook de Via de la Plata te halen.
Even wennen voor me, zoveel mensen tegelijk.
Gelukkig kan ik een kamertje voor me alleen organiseren en kan ik zo de contacten overzichtelijk houden.
Aan de snelweg ligt bar Pepe, een beetje vervallen aan de buitenkant, maar het interieur kan nog een hele tijd mee. Er kan gegeten worden, dan doen we, 7 pelgrims om half negen, we zijn de enige klanten.
De volgende ochtend ook ontbijt bij Pepe, koffie en zoete broodjes.
Jacob, die zijn rechterarm niet kan gebruiken en geen spaans spreekt, krijgt een briefje mee, waarop in het spaans gevraagd wordt hem te helpen bij het smeren van het brood.
De dochter van de waardin maakt met haar telefoon foto´s van de rugzakken. Als ze klaar is met school, wil ze ook naar Santiago. Moeder heeft haar bedenkingen.
We vertrekken, door het ontbijt min of meer als groep.
Ik loop een stuk met Jacop op. Hij is een gelovig man die op de Ruta de la Plata het bidden mist. Op de Camino Francés waren de kerken open en kwam het regelmatig voor dat mensen spontaan met elkaar in gebed gingen.
Na een paar kilometer moeten er beslissingen genomen worden: linksaf via Orense of rechtdoor via Astorga.
Het oostenrijks echtpaar beslist ter plekke dat het naar links gaat. Jacob gaat rechtdoor, hij is de enige, maar hij moet wel, de andere route is te zwaar voor hem.
Hij zegt dat hij vóór Salamanca al met een ambulance van een helling gehaald moest worden.
We zwaaien hem na, dapper in zijn eentje naar het noorden.
En zo verschijnen de mensen en verdwijnen ze weer.
De Camino, het leven zelf, net wat u zegt.
Ruta da Prata
Veel dagen en kilometers verder.
Een buitengewoon trage computer, hier in het internetcafé in Orense. Als dat maar goed gaat.
Ik ben nu op zo´n honderd kilometer afstand van Santiago. Komende zaterdag, 12 mei, hoop ik aan te komen. De donderdag daarna, 17 mei, wil ik de zee van Fisterre zien, de Atlantische Oceaan, en dan heb ik oost en west met mijn voetstappen aan elkaar geknoopt (tot nu toe nog geen meter gesmokkeld).
De Camino de Levante is volledig verdwenen, opgeslokt door de Via de la Plata die in Sevilla begint, of zoals ze hier in Galicië zeggen: de Ruta da Prata (Jacob heet hier ook Xacob, even wennen).
De Via de la Plata is wel een projekt waar veel geld en energie naar toe gaat.
De bewegwijzering is duidelijk veel beter, er zijn veel meer en betere overnachtingsmogelijkheden voor de pelgrim. Dat betekent nauwelijks frustratie meer over het vinden van de route en elke dag de zekerheid dat er een echt bed is.
In de provincie Zamora is er bij de ingang van elk dorp een grote steen gezet, met een gebeitelde tekst, waarin de speciale betekenis van dit dorp voor de Ruta uiteengezet wordt. Het lijkt wat overdreven, maar het betekent toch wel dat men moeite doet om de route een historische en spirituele achtergrond te geven.
In Galicië heeft de Xunta - de regering van de deelstaat - een aantal herbergen gebouwd. Deze zijn gratis.
Er wordt op de weg ook het een en ander gerestaureerd: een romeinse brug, een oude bestrating. Het concept Ruta de la Plata helpt ook om europees geld los te krijgen voor grotere restauraties in stads- of dorpskernen.
Een buitengewoon trage computer, hier in het internetcafé in Orense. Als dat maar goed gaat.
Ik ben nu op zo´n honderd kilometer afstand van Santiago. Komende zaterdag, 12 mei, hoop ik aan te komen. De donderdag daarna, 17 mei, wil ik de zee van Fisterre zien, de Atlantische Oceaan, en dan heb ik oost en west met mijn voetstappen aan elkaar geknoopt (tot nu toe nog geen meter gesmokkeld).
De Camino de Levante is volledig verdwenen, opgeslokt door de Via de la Plata die in Sevilla begint, of zoals ze hier in Galicië zeggen: de Ruta da Prata (Jacob heet hier ook Xacob, even wennen).
De Via de la Plata is wel een projekt waar veel geld en energie naar toe gaat.
De bewegwijzering is duidelijk veel beter, er zijn veel meer en betere overnachtingsmogelijkheden voor de pelgrim. Dat betekent nauwelijks frustratie meer over het vinden van de route en elke dag de zekerheid dat er een echt bed is.
In de provincie Zamora is er bij de ingang van elk dorp een grote steen gezet, met een gebeitelde tekst, waarin de speciale betekenis van dit dorp voor de Ruta uiteengezet wordt. Het lijkt wat overdreven, maar het betekent toch wel dat men moeite doet om de route een historische en spirituele achtergrond te geven.
In Galicië heeft de Xunta - de regering van de deelstaat - een aantal herbergen gebouwd. Deze zijn gratis.
Er wordt op de weg ook het een en ander gerestaureerd: een romeinse brug, een oude bestrating. Het concept Ruta de la Plata helpt ook om europees geld los te krijgen voor grotere restauraties in stads- of dorpskernen.
Abonneren op:
Posts (Atom)