vrijdag 30 mei 2014

Une chambre/ un lit

Ik loop van A naar B en regel intussen telefonisch mijn overnachting in C. De telefoonnummers staan in het routeboekje.
- Bonjour, je suis un pèlerin hollandais et je cherche une chambre/ un lit pour demain. C'est possible chez vous?
Tot nu toe gaat dat altijd goed.
Ik kom terecht in kale kloostercellen, historische panden, verwaarloosde gebouwen die hun bestemming kwijt zijn, benauwde kamers met stapelbedden, zolderkamers, riante cottages in de achtertuin en nog veel meer. Het is een bonte verzameling van refuge pèlerin, parochieel onderdak, gemeentelijke herberg,  accueil à domicile, b&b, chambre d'hôte, gîte d'etappe, religieuze instellingen en ander aanbod op de caminomarkt.

Vandaag ben ik in de gemeenteherberg van Châtelut-le-Marcheix, een ex-gendarmeriegebouw. Helaas heeft het niets weg van een ouderwets cachot. Het zijn twee kamers, de een met keukenblok en meubilair uit de kringloop, de ander met drie stapelbedden.
Twee Nederlandse fietsers waren het eerst en haalden de sleutel op bij Fréderique (telefoonnummer op de deur).  Rond zeven komt Frederique zelf om te zien wie er bijgekomen is, ze int 10 euro per persoon en zet stempels op het pelgrimspaspoort. Ze heeft haar gasten in al die tijd wel leren kennen. Ze verkoopt eten in blik en glas, maar alleen tegen contante betaling en er zit een hangslot op de voorraadkast.

Een aantal herbergen worden door regionale Jacobusverenigingen beheerd. Daar zit tussen vier uur 's middags en tien uur 's ochtends een vrijwilliger voor de pelgrims klaar. ' s Avonds bereidt hij een warme maaltijd en 's ochtends het ontbijt.
In Ainay-le-Chateau is dat Jean-Claude uit Canada.
Als ik er net ben, komt de buurman een mandje verse sla uit eigen tuin brengen, zoals elke dag. Hij drinkt een blikje bier en vertrekt. De sla gaat direct de vuilnisbak in, zoals elke dag, teveel werk om de slakken eruit te halen. Ik krijg sla en macaroni met gesmolten kaas uit de supermarkt.
Jean-Claude, een leeftijdgenoot van me, is ex-huisarts. Het is prettig om met zijn tweeën een tafelgesprek te voeren. Hij vertelt dat hij na zijn vervroegde pensionering een rugzak kocht en is gaan trekken. Nu is hij enkele maanden per jaar in Frankrijk, hij loopt dan stukken van een camino en is vrijwilliger in een paar herbergen. Hij heeft intussen een Franse vriendin.

Op een dag wacht ik op mijn eten in een restaurant met wifi en google naar mijn overnachting van de volgende dag. Verbijsterende resultaten!!! Pagina's sites met beschuldigingen dat het herberg-echtpaar een pedofiel netwerk leidt, een sekte voor ritueel misbruik. De herberg zou een nieuwe poging van het sinistere echtpaar zijn om intieme informatie van onschuldige mensen te krijgen waarmee hun internationale handlangers dan aan de slag gaan. Pelgrim, wordt geen slachtoffer! Barricadeer je deur en geef geen emailadres!
Met zoveel woeste paranoia gaat mijn verbijstering over in scepsis.
Welk drama er feitelijk ook achter steekt, deze speler moet zijn script eens evalueren.
De herberg voldoet aan alle pelgrimwensen, het echtpaar heb ik nauwelijks gezien, er wordt geen persoonlijke informatie genoteerd, dus de belasting tillen, dat zal wel kloppen.



donderdag 29 mei 2014

Trage dagen

Michael knijpt de honingfles leeg over zijn vijf laatste witte supermarktboterhammen en werkt alles naar binnen. Energie! Hij is een Duitse man van 22 die in Aken vertrokken is.  Drie dagen geleden liep hij op me in. Hij spreekt geen Frans, ik reserveerde een paar overnachtingen en we troffen elkaar twee avonden in de herberg. We aten samen, daarna haalde hij naald en draad te voorschijn en werkte geconcentreerd aan zijn borduurwerk, een Jacobschelp.
's Ochtends heeft hij geen zin, maar het moet: in één beweging  de bijna 20 kilo zware rugzak op de schouders en weg is hij!
Hij houdt een hoog gemiddelde van 30 kilometer per dag aan. Dat haal ik niet, vandaag neem ik afscheid. En ook van Johan, de Vlaamse fietser, een zware snurker - zegt hij zelf - die om ons te ontzien op de keukenvloer is gaan slapen.

De paden op, het asfalt op! want sinds Vèzelay loop ik in meer dan 95% van de tijd op asfalt.
De Voie Historique maakt gebruik van het fijnmazige net van duizenden oude kronkelweggetjes die dorpen, gehuchten, boerderijen, schuren,  bruggetjes met elkaar verbinden. Ik kan me voorstellen dat ze ooit als voetpad of als karrenspoor ontstaan zijn, ergens in de vorige eeuw geasfalteerd en nu min of meer vergeten. Het echte verkeer gaat verderop, over een van de nieuwere wegen die een stuk strakker getrokken zijn. Hier rammelt af en toe een oude diesel voorbij met een aanhangwagen en elke dag komt de gele Kangoo van de post wel langs.

Dat alles in een lieflijk glooiend en groen landschap. Bijna nergens uitgestrekte vergezichten. Het is niet moeilijk wandelen. De weg daalt een beetje, stijgt een beetje, nu eens tussen weilanden, geel van de boterbloemen,  dan weer tussen akkers waar het graan kniehoog staat. Huisje hier, dorpje daar, soms een onverwacht stadje waar de geschiedenis een mooie romaanse kerk, een crypte met fresco's of een ruïne heeft achtergelaten. Kilometers en dagen rijgen zich aaneen en ik begin het onderscheid te verliezen.

Maar nu ben ik in Cluis en gun mezelf na het afscheid van Michael en Johan een trage dag, met een langzame start in een bar, veel stilstaan om foto's te maken en onverantwoord lange pauzes om te eten.
In de namiddag daal ik over een rotsig pad af naar het dal van de Creuse. Aan de oever een houten huisje, op 10 meter afstand van het water, op een verder lege camping, le Moulin de Châteaubrun. Mijn plek voor de nacht.
Ik maak een restje spaghetti klaar met wortel en tomaat en kijk op de veranda hoe de zon achter de beboste heuvels op de andere oever verdwijnt.
Op het geluid van het water na is het er doodstil. 's Ochtends ontbijt ik weer op de veranda. Nog een kop koffie en nog even naar het water kijken. Om half tien rijdt er een auto voor en stappen er twee poetsvrouwen uit.

maandag 19 mei 2014

Te Lourd' op de bergen...

Dat ik dit nog mag meemaken. In een Nissan Patrol GR 3.0 Di Turbo, een potente P.C.Hooftstraat-tractor, scheur ik door het centrum van Nevers. Nu ja, van stoplicht naar stoplicht. En ik stuur niet zelf, dat doet een aardige man die ik bij het ontbijt ontmoette.
Gisteravond kwam ik hier aan, in Nevers, in de Espace Bernadette, waar ik voor twee nachten gereserveerd heb, want vandaag is rustdag. Ik heb mijn hakken scheef gelopen en kreeg daar last van. Wat rondvragen bij het ontbijt levert op dat we nu in een SUV naar de schoenmaker rijden. Daar worden mijn scheve vibram-hakken vervangen door een paar gewone hakken, gelijmd én gespijkerd.
Maar ik wil het eigenlijk over Lourdes hebben, de  plek waar - zoals iedereen weet - Maria achttien maal verschenen is aan Bernadette Soubirous.
"Lourdes" is deel van mijn culturele achtergrond. Rome was voor priesters en prelaten, Lourdes was van ons. De mooie Marialiedjes! En er was dat magische moment als tante Mia een fles Lourdeswater (zelf getapt!) uit de kast haalde en je een slokje mocht nemen. Dan kon er van alles met je gebeuren!
"Waarom naar Lourdes als ik in Nevers te vinden ben?"
Zo heet een brochure die hier ligt. En inderdaad, Bernadette is hier. Ze trad hier in, in dit klooster waar ik in nu ben, en hier stierf ze in een leunstoel bij de open haard en hier werd ze begraven. En sindsdien driemaal opgegraven, in verband met zalig- en heiligverklaring. En wat bleek? Haar lichaam was opmerkelijk goed geconserveerd . Niet alleen van buiten. Ook de binnenkant werd onderzocht en zo bleek de lever - toch een kwetsbaar orgaan -  er nog goed uit te zien.
- We zitten hier aan de grens van wat nog medisch verklaarbaar is, aldus een van de betrokken doktoren.
De laatste keer werden er een paar stukjes bot van een rib en van een kniegewricht uitgenomen, als relikwie voor kerken die naar haar vernoemd zouden worden. En ze werd niet herbegraven, maar in een glazen kist gelegd en daarin ligt ze nu nog, in de kapel van het klooster. Ik heb haar gezien: een kleine vrouw, in een zwart habijt, het hoofd iets naar links, met een matte glans over het gezicht. Want ze was toch zelf ook een beetje zwart geworden en om de devotie van de gelovigen niet te verstoren is er een wassen dodenmasker over haar gezicht gelegd.
Ik ga nog even door.
Maarschalk Vauban, befaamd bouwer van vestingwerken, is in 1707 in het familiegraf bijgezet. Ik zag het in de kerk van Bazoches, de dag na Vézelay.
Een plakkaat op de muur vermeldt dat Napoleon, blijkbaar een fan, in 1808 het bevel gaf de maarschalk op te graven en zijn hart eruit te nemen. Het werd in een loden kist naar Parijs gebracht en daar bijgezet in het Pantheon. De rest van het lichaam mocht bij de familie blijven.
Tja. Als je je laat cremeren, weet je ook niet altijd wat er met je as gebeurt.

zondag 18 mei 2014

Linzen

De herberg in Moussy is van de gemeente en is ook in de Mairie ondergebracht. Helemaal links een ruimte met drie bedden, helemaal rechts een ruimte met een stapelbed en een keukentje. De rest van het gebouw is niet meer in gebruik. Het toilet is buiten aan de rand van het plein, een schone openbare hurk-wc. Ik kom als vijfde en laatste aan. Henk is er al, in mineur. Het experiment met de rugzak is hem slecht bevallen, het ding heeft bijna dertig kilometer als een zak aardappelen over zijn schouders gehangen. Hij wil in Nevers een nieuwe rugzak kopen. Of moet hij zijn karretje weer ophalen? We nemen door hoe je een rugzak aandoet en afstelt. Intussen maakt Stiene haar eigen rondje. Aan ieder die het horen wil, behalve aan Henk, vertelt ze hoe onzelfstandig en afhankelijk hij is, zeker nu hij geen routebeschrijving meer heeft. Ze wil hem niet in de steek laten, maar moet ze dit volhouden tot de Pyreneeën? Misschien moet ze zijn familie bellen.
Er zijn geen winkels meer in het dorp, maar Gérard, de attente beheerder van de herberg, heeft een stapel blikken, dozen, pakken en flessen in de keuken gezet, met de prijslijst ernaast. Stiene maakt een grote pan linzen.
's Nachts schiet me te binnen dat ik over twee dagen in Nevers een kopie van mijn routebeschrijving kan laten maken en aan Henk kan geven. ' s Ochtends wordt er door beiden maar lauw op gereageerd, vind ik. We wisselen telefoonnummers uit, voor het geval dat. We nemen afscheid en ik heb niets meer van ze gehoord.

Bij het uitlopen van het dorp wordt pas duidelijk hoe levenloos het is. De meeste huizen lijken al lang geleden verlaten, de muren en ramen zijn smerig, de "à vendre"-bordjes zijn gescheurd en verbleekt.
In Prémery is het anders. Op het einde van de dag loop ik daar binnen langs een nieuwbouwwijk. Hekken, frisgroen gras en witte, vrijstaande huizen met inpandige garage. Op een strak gazon staat voor de sier de roestige ploeg van opa. Er loopt een rondweg langs het dorp en daaraan een parkeerplaats en een grote negen-tot-negen-supermarkt. Ik koop een stronkje broccoli en een blikje linzen. Mijn slaapplaats is een caravan op de gemeentecamping. De linzen kunnen opgewarmd worden in de magnetron van de receptie en een aardige Nederlandse mevrouw in een camper kookt de broccoli voor me.
Het is 's nachts wel erg koud in de caravan.

zaterdag 17 mei 2014

De geest van de weg

In Vezelay zie ik los van elkaar drie mannen met leren cowboyhoed, elk met een aluminium karretje achter zich in plaats van een rugzak. Een ervan is Henk die vanuit zijn huis in de Kempen is komen aanlopen. In Dinant aan de Maas trof hij Stiene. Met z'n tweeën sleurden ze zijn kar door het kreupelhout van de Ardennen en sindsdien lopen ze samen. Zij spreekt goed Frans en regelt de overnachtingen. Hij heeft zijn routeplanning omgegooid, in plaats van in z'n eentje naar Le Puy loopt hij nu met haar mee naar Nivers en Limoges. Hij heeft zojuist al zijn routeboekjes terug naar huis gestuurd.

Vezelay is het einde van de Via Campaniensis, de weg door de Ardennen en de Champagne, en het begin van de Via Limovicensis die over Limoges naar Saint-Jean-Pied-du-Port in de Pyreneeën gaat.
De eerste etappe gaat door de Morvan, een mooie wandelweg met tot slot een lang en tamelijk steil graspad. Het kost wat moeite op het einde van de dag.
Boven wacht  l' Esprit du Chemin, een herberg met Nederlandse eigenaars, Huberta en Arno.
Henk is er al en zegt dat hij weer een belangrijk besluit genomen heeft. Hij laat zijn kar achter en gaat verder met een rugzak die hij van Arno heeft overgenomen. Hij is het gesjor met de kar in de blubber en het losse grint meer dan zat. En als je een stuk met de bus zou willen, gaat dat ook niet zomaar.

De herberg is het tweede Esprit de Chemin-project van Huberta en Arno. Ze hadden een herberg in Saint-Jean-Pied-du-Port. Toen na tien jaar de uitdaging er wat af was, zochten ze iets nieuws en vonden het hier. Het gehucht heet toevallig ook nog Le Chemin en het is een prachtige plek, een monumentale boom in het midden en links en rechts oude gebouwen waar heel veel aan verbouwd kan worden. De ontvangst is hartelijk, de last van de laatste klim is meteen verdwenen.

De volgende etappe is meer dan dertig kilometer en ik besluit meteen in het begin een paar kilometer af te snijden. Ik heb nog geen honderd meter gelopen of er komt een man naar buiten.
- Meneer, komt u even mee, ik heb u iets te zeggen.
We gaan naar de oprit van zijn huis.
-Meneer, wilt u naar Compostelle? Ik wil u zeggen: u bent niet op de juiste weg. U moet honderd meter terug en daar naar rechts.
Ik zeg dat ik het weet, maar dat ik vandaag geen dertig kilometer wil lopen.
- Meneer, het is uw zaak. Ik kan het u alleen maar zeggen: u bent op de verkeerde weg.
Een beetje beduusd ga ik toch maar door op het slechte pad.
Die dag krijg ik twee zware plensbuien te verwerken. Het water wordt met bakken over me heen gegooid en hagelstenen roffelen op mijn hoed.

woensdag 14 mei 2014

Optocht

Ik sla een hoek om en loop bijna een optocht in. Twee nationale vlaggen, twee rijen van mannen en vrouwen in blauwe shirts, daarachter een groepje enkelingen en wat kinderen. Wat is er gaande? Wel, het is vandaag 8 mei, feest van het einde van de tweede wereldoorlog. Kranslegging bij het monument voor de gevallenen en nu in optocht naar het gemeentehuis. De mensen in het blauw zijn de pompiers. Bij de Mairie gaan ze links en rechts op de trap staan, de burgemeester gaat naar boven en nodigt iedereen uit om binnen met haar het glas te heffen. Ik doe het toch maar niet.
Een mooie low-profile ceremonie: in een uurtje Dodenherdenking én Bevrijdingsdag en in het gemeentehuis een borrel.
Over optocht gesproken: ik zit achter de kerk in een parkje wat te eten en zie tot mijn verbijstering zes andere pelgrims voorbijkomen. Later blijkt dat het Parijzenaars zijn,  hier in Cravant komt de route vanuit Parijs samen met die van Reims.
We treffen elkaar in de gemeenteherberg van Bessy-sur-Cure. Ieder kookt zijn eigen potje. Intussen wordt de balans opgemaakt: een paar blaren, twee gezwollen knieën, schaafwonden, rugklachten. Ik heb niets ernstigers in te brengen dan pijnlijke spieren en warm een blik linzen op, met stukken wortel en tomaat, en yoghurt toe.
De volgende dag.
Vezelay ligt op een bergtop en is al vanaf heel ver te zien. Om er te komen moet je eerst omlaag. Daar ligt het dorpje Asquins met een Jacobuskerk. Hier zouden vroeger de pelgrims zich verzameld hebben om dan samen de lange weg omhoog te beklimmen. Vlak onder de top staat een groot houten kruis, daar heeft Bernardus de oproep gedaan tot de tweede kruistocht, ongetwijfeld ook met veel vlaggen. Ik kan het zó voor me zien (dank zij de schoolplaten in het katholiek onderwijs).
De laatste paar meters gaan over de keien van een smalle straat recht op een blinde muur af. Die is van de kathedraal. Even naar rechts en ik stap het kleine plein voor de kerk op waar toeristen een ijsje eten. Ik kijk even in de voorhal en ga dan mijn slaapplek regelen.
Om zes uur zijn er vespers.
De kerk heeft geen gebrandschilderde vensters en er staat ook geen altaar met hoog retabel. Het witte licht komt van alle kanten en maakt de ruimte helder. Monniken in een witte pij, links de mannen, rechts de vrouwen, knielen op lage bankjes in het koor. Ze zingen een aantal psalmen, in het Frans, met een rustige melodielijn die steeds even zakt en dan weer hernomen wordt. Door de ramen zie ik blauwe lucht en een paar witte wolkjes

vrijdag 9 mei 2014

Stof


Als ik het bos uitkom, houdt het net op met regenen. Het blijft bewolkt. Er komt me een tractor tegemoet met aan de zijkant een machine die het gras in de berm maait. Meer dan een kilometer lang heb ik de geur van nat versgemaaid gras in mijn neus.
Ik loop Champagne uit en langs een kanaal Bourgondië in.
In Roffey staat de kerkdeur open. Ik hoor een stofzuiger en ga kijken. De kerk ziet er uit alsof ze heel lang dicht is geweest. Banken staan scheef, er staat een ladder en het is er kaal en stoffig. Een vrouw zuigt de plavuizen, maar ze houdt op als ik binnenkom. Ze vertelt dat de balken en de planken van het plafond zo ongeveer vergaan zijn. Het is gevaarlijk. Ze hebben de heiligenbeelden weggehaald en opgeslagen. Ze haalt kartonnen platen waar foto's van de beelden opgeplakt zijn en spreidt die uit over een werktafel. De parochie moet eerst een eigen bedrag opbrengen, dan krijgen ze subsidie van de staat. Het is moeilijk. Niet iedereen doet mee. Ze laat de doopvont zien, een oude koperen kom, blauw en groen uitgeslagen, ook aan het vergaan. Ze proberen met een paar mensen de boel nog een beetje netjes te houden.
Ik vraag of de kerk nog een godsdienstige functie heeft.
Jawel,  op Hemelvaartsdag, eenmaal per jaar, is er een mis in het dorp.

Tegenover de kerk is een watertappunt waar ik mijn fles aanvul en ik ga verder.
Het landschap is aan het veranderen. De hellingen worden langer en hoger, de uitzichten gaan verder en er verschijnen weer wijngaarden.
Ik daal af naar Chablis, inderdaad, van de wijn.  Tussen de proeflokalen van gerenommeerde huizen drink ik koffie in een Bar-Tabac.

Het is een lange dag en de laatste kilometers is het afzien: een alsmaar stijgende asfaltweg en een stevige tegenwind.
In de gîte zijn de kleuren pastelgroen en zacht oranje. De eigenares verzorgt ook massages staat er op een affiche. Ze is een aardige mevrouw, ze geeft me een glas koud sinaasappelsap. Over de platte stenen van een binnenfontein spoelt bijna onhoorbaar wat water. Ik zoek naar het Boeddha-beeldje (het is er niet).

dinsdag 6 mei 2014

Vlammetje

Jérémie heeft de kamer naast me, haar naam staat op de deur. Ze is er niet, maar zaterdagmorgen gaat haar wekkerradio om half acht door mijn oordopjes heen.
Ik houd na 152 kilometer een rustdag in Troyes. Ik slaap in een voormalig seminarie, nu Diocesaan Huis. In de hal hangt een lange lijst van katholieke organisaties die er bureau houden. Er is ook een schoolinternaat ondergebracht en vandaag lijkt er een introductiedag te zijn. Ouders lopen met papieren rond en groepen kinderen hollen opgewonden door de gangen.
- Dat leren ze wel af als ze eenmaal binnengehaald zijn.
Die nurkse gedachte had ik zomaar.
Het is een grijze, koude dag in Troyes en mijn stemming kan ook wel wat beter.

De laatste dagen waren tamelijk monotoon.
Eerst kilometers lang een pad met aan de linkerkant uitzicht over uitgestrekte, lege landbouwgebieden en rechts de dichtgegroeide berm van een voormalige spoordijk. Af en toe dekken stukken golfplaat iets af wat op landbouwchemicaliën lijkt. Op een open plek smeult een vuurtje onder een hoop afval.
De twee volgende dagen gaan langs het kanaal van de Haut-Seine, ook al voormalig, en ook al veel lange rechte kilometers. Grote stukken kanaal staan bijna droog, want de sluizen staan in de steigers. Het moet een toeristische attractie worden, er ligt al een fietspad. Ik pak het graspad op de andere oever en loop geforceerd in een te hoog tempo, want twee middagen lang zit er onweer in de lucht.

En nu moe in Troyes. Kathedraal bezoeken, teennagels knippen.
Dat met die kinderen is menens. Als ik na een middagdutje door de gang naar buiten loop, staan er twee tafeltjes, aan elk een pater en een jongetje. De pater in witte pij, vol ornaat. Hij schrijft iets op een wit vel papier. Het jongetje balanceert op de punt van de stoel. Op elk tafeltje brandt een rood waxinelichtje.

Geholpen door Jérémie ben ik zondag vroeg op pad. De lucht is lichtblauw, de stad is stil en fris. Onder de bomen langs een beek passeren de eerste zondagjoggers me. Een ouder echtpaar houdt me aan.
- Bon courage! Bon courage!

zaterdag 3 mei 2014

Oud

De abdij van Reclus. In 1142 gebouwd door Cisterciënzer monniken. Geplunderd, verkocht, verwoest, herbouwd, verwaarloosd, opgekalefaterd. Veel is verdwenen, de contouren zijn nog terug te vinden in het gras. Maar er wordt weer gerestaureerd en er wordt weer gewoond. In de voormalige kloosterkerk is vroeger ooit een verdieping aangebracht en daar heb ik mijn kamer. Op de deur ernaast staat in het Duits te lezen dat dit de ziekenboeg is, achter een plaat plexiglas want ook dit stukje historie moet nu bewaard blijven. Het is er ruim, fris en erg stil. De plavuizen zijn oud en beschadigd, maar de kamers zijn modern en er is wi-fi en een wasmachine.
's Nachts is het stikdonker en zitten de muizen aan mijn stokbrood.
De morgen begint met een stijging door een mistig bos. Naaktslakken liggen als oranje streepjes in de modder. Dan een lang graspad tussen knalgele koolzaadvelden en groene korenvelden. Kilometers verder de afdaling tussen wijngaarden door naar Sézanne.
Ik heb onderdak in de Foyer van de zusters Salesianen, een bejaardenhuis.
Een sluis van twee glazen deuren, glimmend marmoleum en een zitje in de hal. Ergens vanuit een gang klinkt opgewekte harmonicamuziek.
De gastenzuster kijkt op haar horloge en vraagt of ik koffie wil. Ik ben misschien wat vroeg. Ze gaat me voor, richting muziek. In de eetzaal zijn alle tafels aan de kant geschoven en is er feest. On-y-danse! Oude mensen houden elkaar voorzichtig vast en schuifelen in hun eigen ritme over de vloer. Nonnen en begeleidsters doen mee, halen mensen op van de kant en zwieren de rolstoelers overal tussen door. Het is van een oprechte vrolijkheid die me een beetje ontroert, ik moet natuurlijk aan mijn moeder denken. Die had meteen mee gedaan.
's Avonds wordt er in de zaal gegeten. Het feest hangt nog een beetje in de lucht en het is een overvloedige maaltijd. 's Nachts word ik zwetend wakker. Ik ga op de rand van het bed zitten en kijk hoe laat het is. Precies 00:00 uur. Alsof er een stopwatch start